Jos de Koning: ‘Het moet mogelijk zijn om harder te rijden op die schaatsen!’

Een scharnierende schaats om sneller te kunnen rijden, dat was het idee. Gerrit Jan van Ingen Schenau, bewegingswetenschapper aan de Vrije Universiteit Amsterdam, bedacht het en maakte samen met instrumentmakers van de universiteit het allereerste model. Dat deden ze door simpelweg de pootjes van een schaats los te zagen van het ijzer en in het voorste pootje een scharnier te bouwen. We praten met van Ingen Schenau’s collega Jos de Koning over het STW-onderzoek, waarmee de werking van de klapschaats wetenschappelijk werd onderbouwd.

Het principe van de klapschaats

De klapschaats bleek uitstekend te werken. In een experimenteel onderzoek naar de schaatstechniek, dat gesteund werd door simulatiemodellen van het springen, werd aangetoond dat een scharnierende schaats betere resultaten moesten geven. Op basis daarvan is een eerste model ontworpen en uitgebreid getest. Het scharniermechanisme is naar aanleiding daarvan op een aantal punten vernieuwd. De klapschaats is vervolgens gepatenteerd. Schaatsfabrikant Viking brengt de klapschaats op de markt.

‘Zal ik je eerst onze testhal laten zien?’ Jos de Koning loopt voor me uit naar een soort sporthal. In het midden ligt een drie bij vijf meter grote loopband, waaromheen camera’s alle bewegingen van skeelers op de band kunnen meten. ‘Skeeleraars maken vrijwel dezelfde bewegingen als schaatsers, vandaar. De band draait tot 40 km per uur. Hoe snel dat is, merk je pas als je even zou vergeten te skeeleren. Dan word je gelanceerd. Daarom hebben we tegenwoordig een tuigje zoals bergbeklimmers dat gebruiken.’ Voor de extra zekerheid ligt achter de loopband een stapel geruststellend dikke schuimrubberen kussens.

We lopen terug naar de Koning’s kamer; op een kast staat een verweerde schaats met een primitief scharnier eronder. ‘Dit is het prototype uit 1985. Gerrit Jan van Ingen Schenau heeft hem samen met Gert de Groot en de Instrumentmakers Wim Schreurs en Hans Meester gebouwd, naar het idee waar hij al heel lang mee liep. Gelukkig heeft Gerrit Jan het grote succes van de klapschaats nog net mee kunnen maken. Hij overleed in 1998.’

Jumping Jack

De Koning zet een poppetje op tafel. ‘Met Jumping Jack testten we zijn theorie.’ Het poppetje kan springen door een touwtje, de ‘kuitspier’, wel of niet aan te spannen. Hij legt uit: ‘Van Ingen Schenau zette twee dingen tegen elkaar af: schaatsen en springen. Bij het schaatsen wordt de schaats niet optimaal gebruikt omdat het ijzer al van het ijs af is voordat het been gestrekt is, dus zonder dat je de kuitspieren gebruikt. Maar een mens springt het best met behulp van zijn kuitspieren. Als je de kuitspieren dan bij gewoon schaatsen kunt betrekken, maak je een efficiëntieslag. We gebruikten Jumping Jack om te zien wat er gebeurde als je de kuitspier aan- of afzet.’

En?

De Koning grinnikt. ‘Dat zag er plausibel uit, maar onze theorie klopte toch niet. Dat merkten we toen we in het STW-onderzoek het principe achter de klapschaats onderzochten. Han Houdijk deed dat, hij promoveerde in 2001. Hij merkte dat de plek waar het scharnierpunt van de klapschaats zit, heel belangrijk is. Omdat dat punt dicht bij de enkel ligt, werken de spieren als het ware over een andere hefboom, en daardoor worden niet alleen de kuitspieren, maar alle beenspieren efficiënter benut. Je kan zeggen dat de motor van de klapschaatser zuiniger loopt. En daardoor schaats je dus sneller.’

Tijd om octrooi aan te vragen?

‘Dat deden we inderdaad. Maar er bleek al een octrooi op een scharnierende schaats te bestaan. Dat dateert uit 1894, op naam van Karl Hannes, uit Raitenhaslach in Beieren. Dus moesten we zonder octrooi gaan werken. Gek genoeg was dat eigenlijk best prettig. Je staat toch meer als wetenschapper in het onderzoek. Ik dacht: “Het moet mogelijk zijn harder te rijden op die schaatsen!” Dat lukte wel; we kregen de schaats prima werkend door samen met schaatsfabrikant Viking het scharniermechanisme steeds verder te verbeteren. Op een verbeterde schaats hebben we toen wel patent gekregen, dat Viking weer heeft overgenomen. Tegen die tijd hadden we dus een uitstekende klapschaats en dook het volgende probleem op. Hoe krijg je de topsporters aan de klapschaats?’

Dat was moeilijk?

De Koning grimast. ‘Zeg maar gerust onmogelijk. In de jaren 80 met o.a. Hein Vergeer als topper was het al niet gelukt om de beste schaatsers op de klapschaats te krijgen. De toppers ten tijde van het STW project, Ids Postma, Bart Veldkamp, Rintje Ritsma moesten niets hebben van dit soort frutsels. “Iets voor meisjes,” was nog de vriendelijkste benaming voor de klapschaats. Maar we kregen onze kans toen we in 94/95 met de junioren van het gewest Zuid Holland aan de slag konden, die wilden wel met de klapschaats rijden.’ Enthousiast: ‘Van de 11 junioren plaatsten zich 10 voor de Nederlandse Kampioenschappen! Uit een analyse van hun prestaties bleek dat hun progressie op klapschaatsen 6,2 % was, tegen 2,5 % op gewone schaatsen. Dat was het eerste wetenschappelijk bewijs dat het werkte.’

De Mount Everest beklimmen

De echte doorbraak kwam in 1997. Op het Europees Kampioenschap Allround schaatste Tonny de Jong naar het goud en liet regerend wereldkampioen Gunda Niemann achter zich. Vanaf toen wilde iedereen klapschaatsen; een jaar later reden ook toppers op de scharnierende schaatsen. De Koning, pretoogjes: ‘In de jaren ’80 dachten ze dat rijden op klapschaatsen ongeveer hetzelfde was als de Mount Everest beklimmen. Maar in ’96 en ’97 stapten ook de toppers zo snel over dat ik niet eens fatsoenlijk metingen aan hun oude schaatsen kon verrichten. Overstappen is eenvoudig, na een weekje heb je het onder de knie. En niemand wilde meer terug.’

Kennisoverdracht

Net als bij elk STW-project was ook hier een gebruikerscommissie voor kennisoverdracht. Daarin zaten schaatsfabrikanten Viking, Zandstra en de Koninklijke Nederlandse Schaats Bond. STW deed de octrooiaanvraag. Het octrooi leverde niet veel geld op volgens de Koning: ‘Maar genoeg om er de nieuwe loopband in onze onderzoekshal mee te betalen. Daarmee meten we nu naast skeelerbewegingen ook allerlei andere bewegingen, dus het geld uit het project is mooi rondgegaan.’

Wat doet de Koning nu?

Hij knikt naar twee boeken bovenop een stapel op de hoek van zijn bureau: “Clinic Excercise Physiology” en “Excercise Physiology.” ‘Die boeken liggen niet voor niks op elkaar. Revalidatie is hetzelfde als sport: je bent bezig met inzicht krijgen in het menselijk lijf. Op dit moment werken we met de UTwente aan een projectaanvraag om een computersimulatiemodel wat gebruikt wordt om inzicht te krijgen in het lopen tijdens bijvoorbeeld de revalidatie om te bouwen tot een schaatsmodel. We gaan werken aan zowel revalidatie als aan sport. Uiteindelijk is de STW promovendus Han Houdijk ook in het revalidatieonderzoek terecht gekomen.’

En als hij zou moeten kiezen tussen die twee?

Na enig nadenken: ‘ Sport, toch. Sport is voor mij ook gewoon fun.’