| STW succesverhalen |
Succesverhalen
Doel van STW- projecten is het realiseren van kennisoverdracht tussen onderzoekers en gebruikers. Lees hier enkele succesverhalen uit de praktijk:
HybSi-membraan robuust bij gas- en vloeistofscheiding in chemie
Het kantoor van Plant One is schaars gemeubileerd. Wat lage kastjes onder het raam, waar een witte veiligheidshelm op ligt. Een eenzame laptop op het bureau. ‘Ik ben er net ingetrokken,’ zegt Karin Husmann verontschuldigend. Ze is directeur van deze testfaciliteit in procestechnologie. Veelbelovende procesverbeteringen in het laboratorium kunnen op pilot en demonstratie schaal worden getest en uitontwikkeld voor toepassing in de industrie. We zijn hier voor zo’n product dat getest wordt: het HybSi-membraan.
Varibel – de bril die hoort
Marc Sipkema wijst naar boven in de grote hal van het oude Akzo-gebouw in Arnhem, waar vreemde betonnen verbindingen de hal doen lijken op een enorm klimrek: ‘Prachtig hè? Ze hebben er een aantal vloeren uitgehaald toen ze het gebouw geschikt maakten als bedrijvenpand.’ Aha.
Sipkema is CTO van Varibel, het bedrijf dat de hoorbril produceert. De hoorbril kwam halverwege de jaren ‘80 van de vorige eeuw voort uit een door FOM uitgevoerd STW-project, en is daarna aan de Technische Universiteit Delft verder ontwikkeld met STW-geld.
Microflown is succesvol, maar ziet nog nieuwe takken aan de boom
Het oude Akzo-hoofdkantoor in Arnhem is tegenwoordig gevuld met een aantal (jonge) bedrijven. Eén daarvan is Microflown Technologies. Dit bedrijf kan met de Microflown-sensor als enige in de wereld de akoestische luchtdeeltjessnelheid meten; een gewilde toepassing in bijvoorbeeld de automobielindustrie.
Bouw eerste proefinstallatie in Nederland met Nereda® waterzuiveringstechniek, deels ontwikkeld met STW-geld
Dr.ir. Merle de Kreuk onderzocht samen met prof.dr.ir. Mark van Loosdrecht en ingenieursbureau DHV bij de Technische Universiteit Delft hoe ze “aëroob korrelslib” kon maken. Het idee was om micro-organismen die afvalstoffen onder zuurstofrijke omstandigheden verteren, in korrels te laten samenklonteren zodat ze makkelijker en sneller bezinken. Dit resulteerde op 12 november 2010 in een feestje. Toen werd het hoogste punt in de bouw bereikt van de eerste Nereda-praktijkinstallatie in Epe.
FOM en industrie ontwikkelen multilaagsspiegels voor de chipindustrie; STW financierde de aanzet
Door het ogenschijnlijk rustige FOM-gebouw te Nieuwegein lopen we naar de kamer van Fred Bijkerk. Zijn bureau staat voor het raam, een helder breedbeeldscherm beneemt bijna het uitzicht op een prachtig verkleurende boom. Links en rechts boekenplanken met ordners, brochures, mappen en daartussen opeens een vrolijke vlieger. Stapels printjes aan de rand van het bureau; hier wordt gewerkt. Eerder dit jaar kreeg Bijkerk de Valorisatieprijs van FOM en nu gaan we praten over de multilaagsspiegels voor lithografie-apparaten – de machines waarmee chipfabrikanten de vereiste microscopisch kleine structuren op computerchips aanbrengen - die FOM samen met de bedrijven Carl Zeiss en ASML en Russische collega’s van het ISAN instituut in een zogeheten Industrial Partnership Programme (IPP) verder ontwikkelen.
Waarom palingen kweken lastig is
‘Dat is een raadsel,’ grinnikt Pieter Slijkerman. ‘Het kan een doorgeschoten selectiemechanisme zijn, maar eigenlijk kan ik het niet verklaren.’ De vraag was waarom palingen het zich zo moeilijk maken bij het voortplanten. Een volwassen Nederlandse paling moet eerst 6000 km zwemmen, zijn normale route naar de Sargassozee, voor hij zin krijgt om te paren. Naar de Sargassozee toe wordt de paling blootgesteld aan een langdurige krachtsinspanning, gecombineerd met verschillen in temperatuur, lichtsterkte en waterdruk, anders wordt het niets.
Slijkerman kent de problemen. Het bedrijf ZF-screens BV, dat een STW-Valorisation Grant fase 1 en 2 ontving, kweekt palingen in het Biopartnergebouw bij de Universiteit Leiden.
Spaghetti- en lasagnamodellen: bedrijfsprocessen op orde met process mining
Het whiteboard in de kamer Wil van der Aalst in het hoofdgebouw van de Technische Universiteit Eindhoven toont een grappige mix van wetenschap en fantasie. Linksboven staan de namen van de lopende projecten op het gebied van process mining, de tak van wetenschap waarmee Van der Aalst zich bezighoudt. Rechtsonder staat een onzekere tekening van vliegende rendieren die de Kerstman in zijn slee voorttrekken. Van zijn 5-jarige zoontje, zo blijkt als we stipt op tijd aan de tafel plaatsnemen. Van der Aalst is een drukbezet man. Hij is niet alleen de wetenschapper met de hoogste H-index van alle Nederlandse informatici, maar ook kreeg zijn groep bij de meest recente onderzoeksvisitatie op alle onderdelen een 5, het hoogst haalbare cijfer. Daarnaast stuurt hij een half dozijn projecten en ruim 20 mensen aan en hij is de grondlegger van process mining. Kan hij uitleggen wat dat is?
‘Hoe kunnen we ervoor zorgen dat straks iedereen CyclOx tankt?’ Nieuwe diesel uit plantenafval voorkomt uitstoot van stikstofoxiden én roet
Boukje Huijben verontschuldigt zich terwijl ze de lange trap afkomt. Ze had niet doorgekregen dat het interview hier was. Geen probleem, de interviewer had de comfortabele bank al gevonden. We zitten in gebouw w-hoog van de Technische Universiteit Eindhoven in de ruim uitgevallen loungekamer. Sfeervol is het er wel: er hangt schilderijenkunst aan de muur, een paar groepsfoto’s en een dartboard. Zitjes in vrolijke kleuren, en er staan twee boekenkasten waarin “Bedrijfseconomie deel I” vriendschappelijk leunt tegen de dikke rug van “Celtic Heritage”.
Boukje blijkt een enthousiaste gesprekspartner: ‘Ik vind één van de leukste dingen aan mijn werk uitleggen wat we doen en waarom. Het maakt niet uit aan wie.’
Dat komt goed uit. We willen alles weten over het project waar zij de scepter over zwaait: de met een STW-Valorisation Grant onderscheiden brandstof CyclOx.
‘Laten we eens proberen brandstof door dat materiaal heen te persen’ PFAMEN ontwikkelt nieuwe spuitkop die diesel beter verbrandt
Jos Reijnders is flink uit de kluiten gewassen, maar hij is nauwelijks hoger dan de gigantische DAF-vrachtwagenmotor in de werkplaats van de Verbrandingsgroep van de Technische Universiteit Eindhoven. De motor is zijn laboratorium. Jos test er een nieuwe dieselinjector die dankzij een sterk verspreide inspuiting de brandstof veel vollediger en schoner verbrandt dan conventionele motoren.
We lopen om de opengewerkte motor heen. Overal steken draadjes uit en zitten metertjes. ‘We hebben alle onderdelen zoveel mogelijk losgekoppeld om goed te kunnen meten,’ verklaart Reijnders.
Op een werkbank liggen cilinderbussen, zuigers, veertjes, schroevendraaiers en tangen. Hij pakt de spuitkop op en laat hem zien: zo groot ongeveer als een pinknagel. De honderden gaatjes in de spuitkop zijn met het blote oog bijna niet te onderscheiden. Intussen vertelt hij: ‘Mijn stageopdracht bij de groep van Michael Boot hield in: laten we eens serieus gaan kijken of het mogelijk is om brandstof door dit materiaal heen te persen. Dat werd het PFAMEN-project.’
Verspilde inlaatlucht van automotor benutten – WEDACS smoorklep in auto spaart brandstof
In gebouw w-hoog van de Technische Universiteit Eindhoven lopen we vanaf Michael Boots kamer naar de loungeruimte. Een zaal als een sporthal is het, met kale betonnen pilaren dwars door het plafond. De ruimte is gezelliger gemaakt met inderdaad loungebanken en stoelen in lichte kleuren, een 16-stoels vierkante tafel met daarop zwervende tijdschriften, een keukentje met vlaaikalender.
We gaan praten over zijn start-up bedrijf WEDACS dat een Valorisation Grant van STW ontving. Drukke tijden voor een startende ondernemer zeker? Boot neemt plaats in een zachte stoel, slaat het ene been over het andere. ‘De meeste mensen hebben het druk. Dat is een mindset.’
Hij legt uit dat het om prioriteiten gaat: ‘In het begin was onze grote fout dat we teveel lijntjes openzetten. Dat gaat nu beter. We kunnen de hoofd- en bijzaken van WEDACS scheiden.‘
Slim rotorblad: Een leuk probleem
Het forse windtunnelgebouw van de Technische Universiteit Delft steekt al van verre uit boven het terrein. De bescheiden kamer van Jan-Willem van Wingerden daarentegen laat zich vinden in een hoek op de 3e verdieping van gebouw 3E, Delft Center for Systems and Control. Het eerste dat opvalt is, in zijn boekenkast liggend, een baksteen van een boek met prachtige ranke rotorbladen op de omslag: “Helicopter Theory”. ‘Het eerste boek dat ik ooit kocht’. Van Wingerden onderzoekt windmolens, meer specifiek het probleem van de onvoorspelbare windkrachten die windmolens kunnen beschadigen.
‘Straks laat ik je de windtunnel zien,’ zegt hij als we aan zijn bureau zitten met cola en koffie, ‘maar je wilt eerst iets weten over de flapjes, denk ik. Eigenlijk mag ik geen “flapjes” zeggen,’ corrigeert hij zichzelf. ‘Dat klinkt zo knutselachtig. Het zijn dus flappen’.
Zoek de bacterie en zet ‘m aan het werk
De kamer van microbioloog prof.dr.ir. Mike Jetten in het Huygensgebouw van de Radboud Universiteit Nijmegen is minimalistisch ingericht. Op het verder lege bureau een computer, een eveneens lege vergadertafel, de archiefkast gesloten, in de hoek een onderhoudsvriendelijke plant. We spreken Jetten over het ANAMMOX-project, waarin hij met steun van STW de bacterie die het schadelijke ammonium in afvalwater omzet in onschadelijk stikstofgas en water, ophoopte en opkweekte. We gaan zitten. ‘Een mooi licht en ruim gebouw,’ merkt de interviewer op. Jetten schudt zijn hoofd. ‘Dat zullen de mensen hier beide niet met je eens zijn. Het is kleiner en donkerder dan het vorige gebouw.’ Probleem blijken de schuine groene zonnekleppen te zijn, waardoor er inderdaad niet veel daglicht binnenkomt. Laten we het maar over de bacterie gaan hebben.
De vermoeidheid van stalen bruggen verlicht
Naast ons gaapt de diepte van de vermoeiingshal van het Stevin II laboratorium in het gebouw van Civiele Techniek van de Technische Universiteit Delft. In de reusachtige proefopstellingen beneden zetten hydraulische cilinders stalen platen onder wisselende druk. Met de persen, die met gemak een personenauto tot een schoenendoos zouden kunnen reduceren, test men stalen brugdekken op vermoeiing. ‘Dit is onze meccanodoos’, merkt Associate Professor dr. Henk Kolstein op als we naar zijn kamer lopen.
Daar liggen iets minder imposante proefstukjes staal, asfalt en beton, een stukje staal-op-staal en zo’n stukje met expoxyhars ertussen. Allemaal brugdekken op schaal, sommige al in de praktijk toegepast op de Moerdijkbrug in de A16 of de brug in de A27 bij Hagestein. Aan de muur hangt een krantenknipsel. Daarop staan de 15 locaties waar bruggen in rijkswegen tussen nu en 2020 door Rijkswaterstaat en TUDelft moeten worden versterkt wegens vermoeiing van het stalen dek. ‘Tot aan mijn pensioen weet ik dat er vraag zal blijven naar dit onderwerp,’ stelt Kolstein nuchter vast.
Rendabele zonnecellen maken met dunne-film techniek
Winter 2009-2010: voor het eerst in jaren sneeuwt het flink in Nederland. We praten over superrendabele zonnecellen met Gertjan Bögels en John Schermer van de Radboud Universiteit Nijmegen, terwijl buiten de universiteitsgebouwen in rap tempo wit worden. ‘Onze cellen liggen niet op daken, dus van die sneeuw hebben ze geen last,’ zegt Gertjan Bögels, business developer.
We hebben het dus niet over “gewone” zonnecellen die op huizen geplaatst worden, maar over superlichte cellen met hoge opbrengst. De techniek voor het maken daarvan is door de groep van John Schermer ontwikkeld op een STW-project, en hij gaat de cellen samen met het Britse bedrijf Circadian Solar maken. Hij merkt op, terwijl het buiten steeds harder gaat sneeuwen: ‘Bij zulk gedempt licht als vandaag hebben de meeste zonnecellen trouwens nauwelijks enige opbrengst.’
De open zonnetelescoop, een innovatie die navolging krijgt?
Dat is voor dr.ir. Rob Hammerschlag geen vraag. Hij zette op La Palma de Dutch Open Telescope (DOT) neer; een zonnetelescoop rustend op een stalen open toren van 15 meter hoog. De wind die door de open constructie waait, verwaait de hete opstijgende lucht die anders de waarneming verstoort en zorgt voor ongekend scherpe beelden van de zon. We bezoeken Hammerschlag en opvolger Felix Bettonvil bij de Universiteit Utrecht, waar hij jarenlang in de kleine uurtjes, als de werkplaats vrij was, zijn geesteskind vervolmaakte. Hammerschlag: ‘Het is bekend dat innovatie alleen lukt via kronkelweggetjes.’
Wegens een verhuizing bivakkeren de astronomen in een voormalige informatica-collegezaal. Aan de muur een groen schoolbord, lichtbakken boven lege tafels, een rijtje ordners in een metalen kastje tegen de verwarming, we zitten een beetje verloren in de ruimte. Bettonvil met een armzwaai: ‘Je mag één bureau en één kastje met je belangrijkste spullen meenemen. Ik vind het wel wat hebben, zo’n studentikoze omgeving.’
Snelle camera imaging: Dit is geen succesverhaal
‘… als je naar het doel kijkt van ons eerste projectvoorstel.’ Dr.ir. Wiendelt Steenbergen glimlacht. We zitten op zijn moderne, lichte kamer in gebouw de Zuidhorst van de Universiteit Twente. De deur blijft open, mensen lopen langs, er is geluid in de gang maar hij raakt niet afgeleid. ‘In dat eerste voorstel wilden we in 1997 met een chip op de huid de gezondheid van het vaatbed, dat zijn de kleine onderliggende bloedvaatjes in de huid van 0.2 mm en kleiner, meten. Dat lukte niet. Toen vroeg de Assistent in Opleiding Sasha Serov of hij iets anders mocht proberen. Hij wilde de huid gaan scannen met snelle camera’s. Daarmee hadden we het juiste spoor te pakken. En dat alleen door de onderzoeker wat meer vrijheid te geven.’
Medimate: Mijn eigen Senseo
We bezoeken Medimate, een bedrijf voortgekomen uit STW-onderzoek dat in 2008 ook een Valorisation Grant fase 2 van 200.000 euro ontving. Op de 9e verdieping van universiteitsgebouw Hogekamp bij Universiteit Twente betreden we een ruimte die zich het best laat omschrijven als een combinatie van kantoor en fabriek.
CEO Huub Maas ontvangt in het kantoorgedeelte aan een langwerpige tafel. Als beginnend bedrijf zou je Medimate eerder in het Business & Science Park verwachten dan in het universiteitsgebouw, toch? ‘Dat dacht ik eerst ook,’ zegt Huub, en loopt naar de linkerkant van de kamer. Een halve verdieping lager is het fabrieksgedeelte van het bedrijfje met heen en weer lopende mensen waar producten worden gemaakt. Hij wijst naar de werkvloer: ‘Maar daar beneden gebeurt het allemaal. We zitten hier tussen de universiteit en het bedrijfsleven in, precies goed.’
Reuma-test toont reuma in vroeg stadium aan
Waarom krijgt de ene mens reuma en de andere niet? Dat was in 1990 de hamvraag voor biochemicus prof.dr. Walther van Venrooij. Niet alleen voor hem. Over de hele wereld werd naarstig gezocht naar een manier om reuma (de officiële naam is reumatoïde artritis) in een vroeg stadium van de ziekte te herkennen, zodat de onomkeerbare gewrichtsbeschadigingen die mensen oplopen als de reuma te laat wordt geconstateerd, kunnen worden voorkomen. Van Venrooij en zijn onderzoeksteam van de faculteit Natuurwetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen leverden een belangrijke bijdrage aan die zoektocht. Zij zijn de uitvinder van de CCP2 reuma-test, waarmee reuma snel en vroegtijdig kan worden vastgesteld.
Jos de Koning: ‘Het moet mogelijk zijn om harder te rijden op die schaatsen!’
Een scharnierende schaats om sneller te kunnen rijden, dat was het idee. Gerrit Jan van Ingen Schenau, bewegingswetenschapper aan de Vrije Universiteit Amsterdam, bedacht het en maakte samen met instrumentmakers van de universiteit het allereerste model. Dat deden ze door simpelweg de pootjes van een schaats los te zagen van het ijzer en in het voorste pootje een scharnier te bouwen. We praten met van Ingen Schenau’s collega Jos de Koning over het STW-onderzoek, waarmee de werking van de klapschaats wetenschappelijk werd onderbouwd.
Precisiesysteem verdelgt aardappelplanten in bietenveld
Een winderige dag in juni 2009. Op een weggetje tussen bietenvelden bij Wageningen staan ongeveer twintig onderzoekers, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en geïnteresseerden naast een tractor. Die gaat een apparaat demonstreren dat opkomende aardappelplanten in een bietenveld verwijdert. Op de uitnodiging staat: ‘Denkt u eraan geschikt schoeisel mee te nemen?’ Een velddemonstratie is het dus, maar gelukkig een droge dag zodat de laarzen in de kofferbak kunnen blijven.
Meer voor minder: Duurzame, op MEMS gebaseerde dataopslag
Terwijl Mohammed Khatib’s laptop start, laat hij zijn meetopstelling zien. In zijn kamer op de 6e verdieping op het terrein van Universiteit Twente staat centraal op een L-vormig bureau een Personal Digital Assistant. Onder het bureau huist een gewone computer waarvan de signalen op een flatscreen te zien zijn. Achter dat flatscreen staat de laptop, inmiddels gestart. Mohammed: ‘De laptop is met alles verbonden, hij is het hart van de opstelling. Ik maak met de PDA en de computer steeds nieuwe combinaties van Flash- en Memgeheugens, voer die in en de laptop combineert de gegevens. Kijk’, hij klikt, ‘één van mijn experimenten.’ De laptop laat een grafiek zien met curve die in de diepte verdwijnt. ‘Dit experiment crashte dus.’
PARSAX-radar bekijkt ontstaan en levensduur van waterdruppels in wolken
Geroezemoes in de foyer van het EWI-gebouw bij de Technische Universiteit Delft. Ongeveer vijftig belangstellenden zijn gekomen naar de inauguratie van de PARSAX-radar; hapjes en drankjes worden geproefd terwijl prof. dr. ir. L.P. Ligthart begint aan de openingsspeech. Vandaag, 29 oktober 2009, neemt het International Research Centre for Telecommunications and Radar (IRCTR) deze radar in gebruik. Elektronisch ontwerper Fred van der Zwan zit vanaf het begin bij het door STW gefinancierde project en verzorgt voor deze dag de publiciteit.
De werking van stemplooien beter bekijken met videokymografie
‘Een spiegeltje. Dat was heel lang de techniek om de stemplooien in het strottenhoofd, of stembanden zoals iedereen ze noemt, te onderzoeken. Pas midden jaren tachtig van de vorige eeuw kwam de endoscoopcamera om foto’s te maken. Dat soort camera’s verkopen we, en natuurlijk onze videokymografiecamera.’ Aan het woord is prof.dr. Harm Schutte. Hij is de grondlegger van de videokymografie, een techniek waarmee stemplooitrillingen die onregelmatig verlopen en gepaard gaan met een afwijkend stemgeluid, in beeld worden gebracht om stemproblemen te analyseren. De techniek komt voort uit onderzoek dat Schutte deed op een STW-project.
De opmars van een kunststof meniscus
De kamer van prof.dr. Pieter Buma is aan de achterkant van het immense UMC St.Radboud, afdeling Orthopedie, in een soort semi-permanent noodgebouw. Binnen wordt alle beschikbare tafelruimte in beslag genomen door papier. Hij schuift alles op een hoop: ‘Ik had nu tijd om wat dingen door te lezen, maar voor je het weet heb je zoveel papers en abstracts liggen dat je er niet meer doorheen komt.’ We praten over zijn onderzoek in een STW-project naar een kunststof meniscus, dat niet alleen veel nieuwe inzichten opleverde met betrekking tot gehele en gedeeltelijke meniscusvervanging, maar ook tot een nieuw bedrijf Orteq leidde en een potentieel succesvol product, de implanteerbare kunststof meniscus Actifit.
Bodemgezondheid meten aan de hand van nematoden (aaltjes)
‘We hebben eerst de hooiberg gekarakteriseerd en daar vervolgens een speld aan toegevoegd’, lacht Wageningse onderzoeker Hans Helder. We praten met hem over het nematodenproject. Helder vertelt over zijn fascinatie voor plantenparasieten, in het bijzonder de nematoden. ‘Dat zijn aaltjes van 0,3 mm lang die ergens zich vanaf zo’n 400 miljoen jaar gelden (Devoon) zo wisten aan te passen dat ze plantenparasieten werden.’
Ephicas’ Sidewing: ‘Een soort IKEA-systeem om vrachtwagens te stroomlijnen’
Het Delftse Yes-gebouw heeft een plezierig industriële no-nonsense uitstraling. Goed gekozen dus van de Technische Universiteit Delft om daar technostartende bedrijfjes in te zetten. Dat vindt Hessel Jongebreur van Ephicas ook. ‘Het gebouw zit alleen nu vol. We zijn daarom blij dat er een betere en grotere locatie komt: we verhuizen naar een nieuw gebouw aan de snelweg. Daar kunnen we weer onze testvrachtwagens zien rijden.’ In zijn kantoor staat een rijtje van die vrachtwagens op speelgoedautoschaal voor het raam.


















